Samenvatting Tentamen Voortplanting 8 april 2005, versie: A Daniel Cremers 2. Komt bij DES clear cell kanker van de vagina voor? (antw. Ja (Blz. 443 Hoedemaeker 5de druk)) 3. Wat is de behandeling/geen behandeling bij CIN I? (antw. CIN I is een matige dysplasie van de cervix. Factoren die het risico op een maligne ontaardende cervixdysplasie aangeven zijn hoog risico HPV en telomerase activiteit. (blz. 446 Hoedemaeker 5de druk). CIN I laesies worden niet behandeld, omdat hun regressiekans 70% is. Hetzelfde geld voor CIN II. CIN III geeft 50% kans om over te gaan in een invasief carcinoom. Grotere CIN II/III laesies en persisterende CIN I/II laesies worden ook behandeld (blz. 755 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk). 5. Stelling: “een stadium IIIc goed gedifferentieerd papilomateus cystadenoom”. Wat klopt niet in deze uitspraak? (Antw. Waarschijnlijk wordt hier het sereus cystadenoom genoemd in een papillaire vorm. Meestal goedaardig. In 10% gedragen ze zich als een borderline tumor (blz. 725 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk). Graag wat feedback over deze vraag.) 8. Welk histologisch type cyste van het ovarium geeft een steeldraai? (Antw. Dermoidcyste. Er staat wat over op (blz. 726 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 9. Wat zijn de symptomen van PID? (Antw. Pelvic inflamatoiry disease gaat vaak gepaard met buikpijn, vaak in aansluiting met de menstruatie, riekende fluor. Bron: college_HB_buikpijn_3_05) 11. Wat is de minst belastende procedure om de uterus te verwijderen: vaginaal, abdominaal, laparascopisch? (Antw. Vaginaal) 15. Er treed bloedverlies op post coitum. Wat voor kanker kan er dan zijn? Tubair, van de uterus, van de cervix of van de ovaria? (Antw. Kanker van de cervix) 17. Na hoeveel jaar behandeling geeft de combinatie oestrogenen en prostaglandines toegediend aan een postmenopauzale vrouw verhoogde kans op mammacarcinoom? (Antw. Na 5 jaar) 18. Waarvoor dient een progesteronbelastingtest? (Antw. Een progesteronbelastingtest geeft aan of er een werkend endometrium, open en intact baarmoederhalskanaal en vagina zijn. Dit wordt onderzocht door een onttrekkingsbloeding op te wekken (blz. 601 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 20. Wat voor haargroei afwijking vinden wij bij een PCO (polycysteus ovarium syndroom)? (Antw. Hirsutisme. blz. 609 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 21. Een man van 27 jaar heeft een refertilistatie operatie achter de rug. Er komt voldoende zaad in zijn ejaculaat, toch is hij infertiel. Wat is de rede hiervan? (Antw. Bij een groot percentage van de gerefertiliseerde mannen worden er antispermatozoa-antistoffen gevormd. (blz. 530 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 22. Waardoor ontstaat endometriosis externa? (Antw. Menstuatie die in de buikholte vloeit) 25. Wat voor klachten patroon doet u bij een hartprobleem denken in plaats van met zwangerschap gerelateerde verschijnselen? (Antw. Pijn op de borst) 27. Wat voor type groeivertraging heb je bij een foetus met een virus infectie? En welke bij een doorbloedingprobleem van placenta? (ze geven hierbij alleen hoofd en romp omtrek) (Antw. Bij een virus infectie kan er een symmetrische groeivertraging optreden. Hierbij blijven zowel de hoofd-als de rompomtrek achter in groei. (blz. 389 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 29. Wanneer mag weeenremming wel/niet worden toegepast? 33. Er is een kind dat tussen H1-2 ligt. Er treedt behoorlijke moulage op en de kracht van de weeën is behoorlijk afgenomen. Het kind ligt in een A.a.a stand. Wat is nu de juiste procedure? (Antw. Een A.a.a. (=Achterhoofdsligging met achterhoofd achter) geeft vaker langdurige baringen en ook vaker vacuumextracties. Graag feed-back voor het goede antwoord.) 34. Een kind heeft de uitwendige spildraai al gemaakt, maar komt er niet verder uit. Wat is nu exact de juiste procedure? (Antw. Het gaat hier om een schouderdystocie. Hierbij is de procedure: zorgen voor een lege blaas, maximale flexie in de heup en een opstelling met extra ruimte voor de ontwikkeling van de schouders (dwarsbed, of omgekeerde ondersteek of placentapo bij de hand houdens). Een episiotomie is aan te bevelen. Indien voorafgaande zwangerschap een ernstige schouderdystocie heeft plaatsgevonden, een keizersnede plaats laten vinden. (blz. 445 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 37. Diabetes gravidarum geeft bij de foetus? (Antw. Sterfte, ernsitige congenitale afwijkingen, premature baring (voornamelijk bij foetale macrosomie en polyhydramnion), macrosomie, polyhydramnion, neonatale hypoglykemie. (blz. 424 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 38. Er komt een vrouw uit Turkije naar u toe. Ze is pas een paar weken zwanger. Ze heeft een Hb van 6.2. Is dit normaal? Indien niet, wat verwacht u dat hier aan de hand is? (Antw. Sferocytose) 39. Na hoeveel uur/dagen/weken treedt cervix verstrijking op, uterus daling etc.? 40. Er komt een vrouw bij u binnen die vier dagen post partum is. Ze heeft een temperatuur van 38.5C, riekende lochia, uterus onder de navel. Wat is de juiste behandeling? 41. Wat gebeurt er na het uitblijven van de fysiologische dilatatie van de spiraal arteriën? (Antw. Dan krijg je het beeld van pre-eclampsie) 42. Hoe veranderen het Hb, trombo’s en eiwit bij pre-eclampsie? (Hb hoger, tromo’s normaal, eiwit boven de 300mg/24 uur. Hogere bloeddruk, lager HMV, hoger Ht) 43. A,B,C,D,X bij geneesmiddelen. Wat betekenen deze symbolen? (Antw. A=schadelijk op de foetus door controle bij vrouwen. B=onvoldoende ervaring mee opgedaan (B1=onschadelijke dierstudies, B2= onvoldoende dierexperimentele gegevens, B3=in dierenstudies schadelijk). C = kunnen herstelbare schade toebrengen aan het kind. D= geven een vergroot risico op misvormingen of onherstelbare schade. X=mogen niet gebruikt worden tijdens de zwangerschap en in de fertiele leeftijd. (blz. 328 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 44. Wat is de detectiegraad in % bij de combinatiepil? (?) 48. Je ziet een plaatje van de placenta. Wat voor cellen staan er op? (komt er eigenlijk op neer of de syncytiotrofoblast van de moeder of van het kind zijn) (Antw. Van het kind. Bron ?) 50. Uit een spermatocyt I ontstaan… (aantal)? (Antw. Uit de spermatocyt I komt na de tweede meiotische deling 1 spermatocyt II (2n). (blz. 312 Human Hislology, 2de druk)) 53. Wat voor hormonale veranderingen treden op tijdens de luteale fase? (Het corpus luteum produceert progesteron, 17-hydroxyprogesteron, E2 en inhibine A. Als gevolg van negatieve terugkoppeling zijn de serum LH en FSH spiegels laag. De LH spiegel is echter voldoende hoog om voor een beperkte periode het voortbestaan van het corpus luteum te garanderen. (blz. 136 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 54. Welk geneesmiddel kunt u aan een vrouw voorschrijven om haar melk productie te remmen? (Antw. Dopamineagonisten (cabergoline, Dostinex). (blz. 296 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 56. Welk hormoon wordt in samenwerking met de bijnieren geproduceerd door de placenta? Opties: CFR, cortisol, HCG, oestrogeen. (Antw. De placenta maakt CRF (=corticorophin-releasing factor), hCG (humaan choriongonadotrofine), oestrogeen, hPL, hPHG, progesteron, PP5, oxytocinase en PAPP-A. Het hormoon moet zij oestrogeen, maar ik heb het nergens kunnen vinden.) 57. Een jonge vrouw komt naar u toe vanwege rotte vislucht na de coitus. Ze geeft weinig fluor af en ze heeft geen jeuk. Wat heeft ze? 61. BPD (broncho pulmonaal dysplasie). Na welke conditie kan deze optreden? (Antw. Bij vroeggeboorte en IRDS (infantory respiratory distress syndrome). BPD ontstaat door langdurige zuurstofbehandeling, cardiale decompensatie, frequente luchtweginfecties en slechte groei. (blz. 498 Obstetrie en Gynaecologie, 5de druk)) 62. Wat zijn de gevolgen voor de foetus van maternale hypertensie? 69. Van welk histologisch type zijn cervixcarcinomen? (Antw. 75% Van de cervixcarcinomen zijn plaveiselcelcarcinomen. (blz. 447 Hoedemaeker 5de druk)) 73. Priapasme is een complicatie van…? (Antw. Priapasme is een persisterende erectie onafhankelijk van seksuele prikkeling. Oorzaken zijn veneuze malformatie, Viagra, apomorfine, intra caverneuze injectie, sikkelcelanemie, leukemie, polyicytemie. (Blz. 9 Syllabus Voortplanting 2005. Mannelijke geslachtsorganen. Prof.dr.D.W.W.Newling) Enkele moeilijke woorden in het tentamen: Amniotomie (breken van de vliezen met een klein haakje), polysystolie, reactief CTG, brainsparing, wanneer doe je een doppler-flow van de navelstreng? Episiotomie